Historie CDW

Als voorbeeld van de ontwikkeling van Protestants verenigingsleven onderstaand de geschiedenis van de protestantse padvinderij in de westelijke mijnstreek en in Geleen.

De oostelijke mijnstreek lag in haar mijnbouw-industrie-ontwikkeling circa 10 jaar voor op de westelijke mijnstreek. In Heerlen en in Hoensbroek werden reeds omstreeks 1917 protestantse padvindersgroepen opgericht. Naast elkaar bestonden Protestants christelijke groepen, die aangesloten waren bij de landelijke CJMV, de Christelijke jonge Mannen Vereniging, en algemene groepen die aangesloten waren bij de niet kerkelijk gebonden NPV, de Nederlandse Padvinders Vereniging. Landelijk was er enige animositeit tussen de NPV en de CJMV padvinders. Toch werd in de mijnstreek in onderling overleg besloten dat ze elkaar op gemeentelijk niveau niet voor de voeten zouden lopen. In Heerlen moesten daarom de CJMV padvinders, door de rooms-katholieken de geuzentroep genoemd vanwege hun oranje dassen, wijken voor de Heerlense NPV groep. De Hoensbroekse leden van de Heerlense CJMV groep richtten toen samen met in Hoensbroek wonende, op de NPV georienteerde jongeren, in Hoensbroek een nieuwe groep op. Het werd een NPV padvindersgroep. Met het in bedrijf nemen van de grote nieuwe steenkolenmijnen in Brunssum en Treebeek werd de toeloop van protestantse jongeren zo groot dat er in Hoensbroek ook een Leger des Heils padvindersgroep werd opgericht.

Voor de volledigheid zij hier vermeld dat de padvinderij in de vooroorlogse mijnstreek een nagenoeg volledig Protestants gebeuren was. De korte broeken en blote knieen werden niet door alle katholieke geestelijken geaccepteerd. Om de rooms-katholieke jongeren te behoeden voor mogelijke belangstelling voor de padvinderij, werd in denigrerende termen gesproken over deze “Hollands protestantse” abnormaliteit.

In de westelijke mijnstreek werd in 1927 in Sittard onder de vlag van de CJMV de eerste padvindersgroep opgericht. Onder leiding van Hopman Miiller werd snel het vereiste minimum aantal van 16 padvinders bereikt om officieel als groep erkend te worden. De verkenners kwamen wekelijks bij elkaar bij de nederlands hervormde pastoric en de Gustav Hoeferschool. Het herkenningsteken van de Sittardse padvinders was de “schots geruite” halsdoek. De Sittardse predikant, dominee Hoogendijk, was een enthousiast padvinder. In 1929 werd hopman Katgert leider van de Sittardse padvinders. In het begin van de 30er jaren werd de landelijke overkoepelende organisatie, de NCPV, de Nederlandse Christelijke Padvinders Vereniging opgericht. Natuurlijk was er een uitgebreide discussie over de twee alternatieven: lid worden van de “algemene” Nederlandse Padvinders Vereniging, de NPV, of lid worden van de NCPV. Besloten werd dat de Sittardse CJMV padvinders vanaf 1 januari 1931 verder zouden gaan onder de NCPV vlag. De datum 1 januari 1931 geldt in de geschiedenis van de Sittards-Geleense padvinders als oprichtingsdatum. In 1933 kreeg de Sittardse groep er een welpenhorde bij en toen een aantal oudere verkenners ook nog een stam oprichtten, was de padvindersgroep helemaal compleet.

In Sittard-Overhoven was op instigatie van de lokale dorpspastoor in het begin van de jaren 30 de rooms-katholieke Sint Servatius padvindersgroep opgericht. In 1932 werd het “jongenspatronaat” van de Sint Petrus parochie in de binnenstad van Sittard omgevormd tot de rooms-katholieke Deken Thijssen padvindersgroep. De katholieke padvindersgroepen hadden een eigen aalmoezenier als moderator en vielen onder het bisschoppelijk “interdiocesane bestuur van de katholieke verkenners” met eigen diocesane commissarissen. In Geleen werden door de katholieke parochies voor het jeugdwerk afdelingen van de “Jonge Wacht” opgericht en kwam het voor de oorlog niet tot de oprichting van padvindersgroepen.

De financiale basis van de protestantse padvindersgroep in Sittard bleef zorgelilk. Door het werven van leden-begunstigers trachtte men de kaspositie te verbeteren, maar regelmatig moesten bestuursleden bijspringen. Door de Gemeente Sittard werd ondanks persoonlijke bezoeken van de leiding aan de burgemeester, afwijzend beschikt op verzoeken om subsidies. Een ander zorgenpunt was het vinden van een goede lokaliteit. Weliswaar was de protestantse Gustaf Hoeferschool altijd bereid een lokaliteit en de speelplaats op een zaterdagmiddag, na schooltijd, ter beschikking te stelien, maar zo’n schoolklas was geen welpennest, patrouillehoek of voortrekkershol. Jaarlijks werd een padvindersavond gehouden, waar welpen, verkenners en voortrekkers demonstraties gaven van hun kunnen. Zo’n avond werd meestal afgesloten met een positief saldo. Een programma voor zo’n avond bestond dan bijvoorbeeld uit: “enkele eenvoudige toneelstukjes, zoals cowboydrama, een lastige klant enzovoort, verder uit tableaus, welpendansen, een welpentoneelstukje, vuurmaken en een (imitatie) kampvuur met liederen”. Het eerst eigen troephuis voor de verkenners en voortrekkers was in 1935 een boerenschuur aan de Geleenbeek op 40 meter ten noorden van de Brandstraat. De welpen kwamen bij elkaar in de Gustav Hoeferschool.

In 1936 verhuisden de welpen van een lokaal in de Gustaf Hoeferschool in Sittard naar een lokaal in de protestantse school aan de Mauritslaan in Geleen. In 1937 deden 20 verkenners mee aan de Wereldjamboree in Vogelenzang, terwiji 12 welpen er drie dagen op bezoek gingen. In 1937 werd, mede door bemiddeling van de bedrijfsingenieur van de Maurits, Ir Bakker, een meermaals herhaald verzoek aan de Staatsmijnen ingewilligd: de padvindersgroep kreeg (het hout van) een niet meer gebruikte noodwoning uit Brunssum. Voor het plaatsen van de noodwoning in Geleen werd een oud appelboomweitje van de Staatsmijnen aan de Putsteeg aangewezen. Het afbreken van de noodwoning, het transport naar Geleen en het egaliseren van het terrein werd uitgevoerd door mannen uit het protestantse werklozenkamp in Rumpen. Het naar bouwtekeningen van Dhr Roosjen gewijzigd herbouwen van de “noodwoning” werd door verkenners en voortrekkers met hulp van vaders uitgevoerd. Voor de aankoop van materialen voor de inrichting van het troephuis werden renteloze obligaties uitgegeven voor een totaalbedrag van f 600,-. Verdere kosten werden mede gedekt door een groots zomerbuitenfeest met pannenkoeken en appelflappen in het appelboomweitje aan de Putsteeg (batig saldo f 35,-). Tenslotte leende Dhr Minkhorst in 1938 f 597,63 aan de padvindersgroep, waarvan in 1941, bij de verplichte liquidatie van de groep door de Duitse bezetter, na afbetaling van f 155,-, nog f 442,63 als schuld over was.

In 1937 werd de naam van de padvindergroep veranderd van “Eerste Sittardse Groep” in “Christiaan de Wet groep”. Voor het beheer van de vaste goederen van de Christiaan de Wet groep werd in 1938 een “Stichting Het Troephuis” in het leven geroepen. Deze Stichting werd later omgedoopt in “Stichting Christiaan de Wet”. De groep ging als “NCPV Christiaan de Wet groep Geleen” van start met een oranje blauwe halsdoek. De naam van de Zuid Afrikaanse boerengeneraal Christiaan de Wet werd gekozen als tegenwicht tegen de Engelse Lord Baden Powell die na zijn vechten tegen de boeren van Christiaan de Wet in Zuid Afrika de padvinderijbeweging had opgericht met als slogan ‘door kameraadschap tot broederschap en vrede”.

Voor de leiding van de padvindersgroep werd geput uit de jonge protestantse technici, die bij de Staatsmijnen en bij andere technische bedrijven kwamen werken en uit het corps onderwijzers en onderwijzeressen van de protestantse lagere scholen. In de vooroorlogse periode was de Geleense Dr Ir Pieters van de Staatsmijnen districtscommissaris van de Nederlandse Padvinders.

Na de Duitse inval in mei 1940 werd eerst het openbaar optreden en het maken van propaganda verboden en in 1941 werd de padvindersbeweging door de Duitsers verboden en geliquideerd. In Geleen werkte de padvindersstam, met onder andere Hans Timmermans, Gerrit Hovestreydt, Wim Reijnders en Kees de Keijzer ondergronds door. Zij gaven een illegaal krantje uit, de “Yell”, waarmee de nieuwsberichten van Radio Oranje, voorzien van lokaal commentaar, gedrukt verspreid werden.

Direct na de bevrijding in September 1944 kwam ook de troep weer bij elkaar. In de euforie van een mogelijk in de toekomst ontzuilde samenleving beschouwde de Christiaan de Wet groep zich als een niet kerkelijk gebonden NPV groep. De leiding van de troep hadden hopman Freek Briene en Vaandrig Wirn Reijnders. Het was voor de Geleense Christiaan de Wet padvinders een drukke tijd. Met in “continudienst” door padvinders bezette vaste posten in Hotel Terminus (hoofdkwartier Ordedienst OD), in het gemeentehuis (politiebureau) en in de Graalschool (waar NSB-ers gedetineerd waren) werden koeriers- en hulpdiensten verricht. Het sjouwen met volle “gamellen” (grote ketels) soep voor de gedetineerden was voor de verkenners een zwaar, meermans karwei. De NSB gedetineerden lagen in de Graalschool op strozakken, maar er was in het koude najaar 1944 een tekort aan dekens. De Ordedienst OD organiseerde een expeditie naar het in het frontgebied vlak achter Sittard gelegen Duitse Waldfeucht. De Duitse inwoners van Waldfeucht waren hals over kop gevlucht en in de kapotte huizen zouden nog wel dekens te vinden zijn. De Ordedienst OD deed een beroep op de padvinders om mee te gaan helpen de dekens uit de huizen te halen. De padvinders maakten er een principekwestie van. Meedoen aan het roven van vijandelijke prive bezittingen of vinden dat dat te ver ging en dat dan weigeren. De leiding kwam er niet uit en het werd aan de individuele padvinders overgelaten om al dan niet mee te gaan met de door de Ordedienst OD georganiseerde vrachtwagens. De helft van de padvinders, de “rekkelijke” helft, ging mee en kwam terug, beladen met dekens voor de NSB-ers en met veel erg sterke verhalen die de meer principieel besnaarde padvinders in twijfel brachten over de juistheid van hun besluit om niet mee te gaan. Voor zover de voortrekkers niet als vrijwilliger opgegaan waren in binnenlandse strijdkrachten of stoottroepen werd, samen met de wat oudere verkenners, aan de noordkant van de toenmalige Markt in Geleen in een houten noodwinkel een Rode Kruis bureautje gerund. Via dit bureautje was het voor inwoners van Geleen en omgeving mogelijk een in telegramstiji gevoerde briefwisseling te voeren met familie in de nog niet bevrijde gebieden van Nederland. Daar de berichten maar een beperkt aantal regels lang mochten zijn en geen enkele militaire informatie mochten bevatten, werd in de inhoud vaak verwezen naar bijbelteksten. Duizenden handgeschreven berichten, waarvan een hoog percentage van protestanten met familie in het nog niet bevrijde noorden van Nederland, werden in de houten noodwinkel aan de markt overgetypt en verstuurd. En de daar werkende padvinders waren dolgelukkig dat er langs deze weg (via Zwitserland) ook berichten uit het nog bezette deel van Nederland terug kwamen. Briefwisseling met het volkomen gedesorganiseerde frontgebied langs de Maas in noord Limburg en Noord Brabant was niet mogelijk.

Ver voor de bevrijding van geheel Nederland kregen alle padvinders die actief deelnamen aan de “dienstveriening voor de opbouw van de samenleving” een kaki overslag halsdoek met een opgedrukte opdracht van Prins Bernhard. Deze overslaghalsdoeken waren het kenteken van de actief dienstverlenende padvinders. In het Londense Vrij Nederland werd geschreven dat Britse militairen in Engeland hun grote waardering uitspraken over het “prachtige werk van de padvinders om direct na de bevrijding de geallieerden en de gemeenschap te helpen”.

Het noodwinkeltje aan de markt werd een lokaal hoofdkwartier voor de Christiaan de Wet groep totdat het “padvindersgebouw in het weitje aan de Putsteeg”, dat door bominslag op korte afstand zwaar beschadigd was, weer een beetje hersteld zou zijn. De wekelijkse bijeenkomsten van de verkenners werden achter het noodwinkeltje gehouden. De voortrekkers betrokken een verlaten publieke schuilkelder op het jubileumplein.

De toeloop van jongens, die zich wilden aansluiten bij de Christiaan de Wet groep, was zo groot dat, in januari 1945 besloten werd om tot april een ledenstop in te voeren. Met 4 zeer actieve patrouilles van 7 man was de maximale capaciteit vooralsnog wel bereikt. Het lukte echter niet om de in het begin van 1945 weer de kop opstekende verzuiling van de samenleving te ontlopen. Het lukte gelukkig wel om de protestantse gelederen gesloten te houden. In 1944 had de Geleense Christiaan De Wet padvindersgroep zich opgesteld als een bij de NPV, de niet kerkelijk gebonden Nederlandse Padvinders Vereniging, aangesloten padvinders-vereniging. Aan de protestantse rechterzijde was men niet gelukkig met deze aansluiting bij een algemene, niet confessionele, overkoepelende organisatie. Aan rooms-katholieke zijde wilde men niet dat jonge parochianen zich mengden met andersdenkenden.

Voor de oorlog bestonden Limburgse katholieke verkennersgroepen alleen onder collegestudenten, in de ondergrondse vakschool, in opvoedingsgestichten en in andere sterk katholiek beschermde groepen. Het negatieve katholieke geluid van “vermijden van vakantiegevaren” was voldoende sterk om het “spel van verkennen” tot na de bevrijding minder geschikt te achten voor “gewone” katholieke jongeren. In de westelijke mijnstreek had alleen Sittard twee katholieke verkennersgroepen. Geleen volgde de diocesane richtlijnen en had als katholieke jeugdverenigingen de “Jonge Wacht” (tot 18 jaar), ‘Jong Limburg” (vanaf 18 jaar), later werd “Jong Limburg” vervangen door de katholieke standsorganisaties “Jonge Middenstanders”, “Jonge Werkman”, “Jonge Boeren en Tuinders”, “Jonge Werkgevers”, enzovoort. Voor jonge katholieke meisjes ontstonden in Limburg de KJM (katholiek jeugdwerk voor meisjes) en de KJV (katholiek werk voor volwassenen), waarin het specifiek vrouwelijke, de roeping van het moederschap, sterk naar voren werd gebracht.

Direct na de bevrijding werd er op instigatie van de pastoor van de Augustinus parochie in Lutterade overlegd over de toekomst van de katholieke jeugdbeweging met de leiders van de jonge Wacht, de Katholieke Verkenners en de diocesane werkgroepen van de Katholieke Actie. De Katholieke Actie en de jonge Wacht besloten als resultaat van deze bespreking eind 1944 een nieuwe jeugdvereniging op te richten: “Jong Nederland”. De katholieke verkenners bleven zelfstandig. Na opleiding van jeugdleiders ging “Jong Nederland” in Lutterade als “Gilde Sint Augustinus” in mei 1945 van start. Het gilde werd gehuisvest in het patronaatsgebouw van de Augustinus parochie (thans reuniegebouw). Het was een zeer rooms-katholieke jeugdbeweging die ingebed was in de katholieke kerkelijke structuur. Qua uiterlijkheden leek “Jong Nederland” veel op een padvindersgroep. In 1946 kreeg “Jong Nederland” de bisschoppelijke erkenning. Vanuit Lutterade werden in het “District Geleen” van Jong Nederland ook gilden opgericht op Lindenheuvel en in Berg, Born, Buchten, Kerensheide en Spaubeek.

Alhoewel zich na de bevrijding in 1944 een aantal progressieve rooms-katholieken hadden aangesloten bij de Christiaan de Wet groep stokte de gehoopte doorbraak. Het bleek dat de door de Christiaan de Wet groep beoogde doorbraak zowel naar rooms-katholieke als naar Protestants gereformeerde zijde niet lukte. Er traden bijna geen nieuwe rooms-katholieke jongens meer toe tot de Christiaan de Wet groep. De padvinders van “gereformeerden huize” richtten onder leiding van “Vaandrig Knol” een eigen padvindersgroep op, die zich wilde aansluiten bij de NCPV, de Nederlands Christelijke Padvinders Vereniging. Ook deze gereformeerde padvinders groep ontwikkelde zich voorspoedig en had eind mei 1945 16 padvinders, In “interkerkelijk Protestants lokaal overleg” werd besloten in ieder geval de protestantse gelederen gesloten te houden. De Christiaan de Wet padvindersgroep zou opteren voor het lidmaatschap van de NCPV en de gereformeerde NCPV groep in oprichting zou zich liquideren en haar padvinders adviseren (weer) lid te worden van de Christiaan de Wet groep. Hetgeen ook gebeurde. De Christiaan de Wet groep groeide uit tot een stabiele vereniging in het Geleense protestantse samenlevinkje.

In September 1945 werd in de westelijke mijnstreek, naast de Christiaan de Wet groep, in Sittard een protestantse padvindersgroep opgericht onder leiding van hopman W. de Zeeuw. Dit werd de Jac P. Thijsse groep met als halsdoekkleur rood-geel. De Sittardse padvinders kwamen wekelijks bij elkaar bij de Gustav Hoeferschool.

Op het einde van 1945 ontstond er in het kader van de landelijke doorbraakgedachte een fusie tussen de NCPV en de NPV onder de overkoepelende naam NPV, de Nederlandse Padvinders Vereniging. De vroegere NCPV groepen werden aangeduid als NPV-X groepen. De padvinders van de NPV-X groepen waren te herkennen aan het speciale X embleem op hun shirt.

In de turbulente tijd na de bevrijding van heel Nederland was het een komen en gaan van stamleden, verkenners en welpen. Door de trek naar het niet rooms-katholieke noorden wisselde ook her leidersteam vaak. Op instigatie van hun ouders ontliepen veel protestantse jongeren na de middelbare school door vertrek naar het noorden de mogelijke frustraties van “gemengde verkering” (of “verkeerde vermenging”) met een rooms-katholieke partner. Bij “gemengde verkering” trok de intolerante rooms-katholieke kerk bijna altijd aan het langste eind en dat was voor de protestantse ouders een kerkdeur te ver. De protestantse jeugdverenigingen moesten het daarom hebben van enthousiaste jonge protestanten die in Limburg werk vonden en daar, voor hen “in den vreemde”, een nieuw bestaan opbouwden.

Vanaf 1948 liep de belangstelling voor de padvinderij terug. In 1949 werd de Sittardse Jac. P. Thijsse groep opgeheven. Protestantse padvinders van Sittard gingen over naar de Christiaan de Wet groep in Geleen. Om de kwaliteit van de lokale leiding en daarmee de aantrekkingskracht van de padvinderij op jongeren te verhogen ging het Nationaal Hoofdkwartier van de Nederlandse Padvinders Vereniging NPV leiderscursussen organiseren. Hierdoor kwam een nieuwe kern van in jeugdleiding geschoolde padvinders-leiders en -leidsters beschikbaar. Dit wierp ook in de westelijke mijnstreek zijn vruchten af. In 1954 werd in Sittard weer een padvindersgroep opgericht onder leiding van hopman J. Boon. Deze groep kreeg de naam “Theodor Horden Groep”, vernoemd naar de eerste, in het jaar 1609 door de protestantse kerkgemeenschap in Sittard officieel beroepen, predikant. Naast de 17de eeuwse rooms-katholieke pastoor Agricola, naar wie in Sittard een straat vernoemd is, werd dan in 1954 ook zijn tegenspeler, dominee Horden in Sittard vernoemd. De halsdoekkleur van de Theodor Horden Groep werd “balmoral”. De Sittardse welpenhorde gebruikte als “nest” het verenigingslokaal van de nederlands hervormde kerk terwiji de verkennerstroep bijeenkwam in de kelder van de Gustav Hoefer school.

In 1966 werden door gebrek aan leiding de activiteiten van de Christiaan de Wet groep tijdelijk onderbroken. De Stichting Christiaan de Wet bleef bestaan en deed op het eind van 1966 een poging om de groep nieuw leven in te blazen. Met een nieuwe groepsleiding werd toenadering gezocht tot de katholieke “Scouting groep Christus Koning” (thans “Scouting De Kluis”). Er ontstond een tijdelijke goede samenwerking. De tijd was echter nog niet rijp (genoeg) voor een blijvende samenwerking. De “Christus Koning Groep” was nog geheel afhankelijk van de katholieke Christus Koning parochie, terwijl de Christiaan de Wet groep geen kerkelijke binding had en volledig zelfstandig was.

Het lukte de Christiaan de Wet groep met het oude houten gebouwtje aan de Putsteeg, in zelfstandigheid en onafhankelijkheid het jaar 2000 te halen. Het “troephuis”, dat nu, na meer dan 60, ook voor het gebouwtje, enerverende jaren, het volgende Millennium ingaat, is met zijn historische gezelligheid echter wel heel erg bouwvallig. Samen met Scouting Don Bosco en Jong Nederland Lindenheuvel is gezocht naar een nieuwe locatie voor een gemeenschappelijk jeugdgebouw, die inmiddels gevonden is aan de Rozenlaan-Bosweg.
In mei 2002 werd hun gezamelijke nieuwe onderkomen geopend: Jeugdcentrum Rozenbos was een feit.

In het voorjaar van 2003, hebben we ons (verlaat) 75-jarig bestaansfeest gevierd. Met een reunie waar heel veel (oud) leden hun ervaringen kwamen delen was dit feest zeer geslaagd.
In 2012 bestaat Scouting Chrisitaan de Wet 85 jaar. Een nieuwe mijlpaal, waar we maar beperkt bij zullen stil staan. Alleen de leden zullen er beperkt iets van meekrijgen.